De Lage Landen tijdens de Duinkerke II-transgressie 1
een witte vlek in onze geschiedenis.
Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet

Inleiding

     Geschiedenis – in tegenstelling tot prehistorie – kenmerkt zich door het feit, dat gebruik gemaakt wordt van geschreven bronnen. Het beginpunt van de geschiedenis van een land of streek verschilt sterk: in Zuid-Europa is er reeds een goed gefundeerde geschiedschrijving beginnend ver vóór het begin van onze jaartelling; in Noord- en Oost-Europa behoort daarentegen vrijwel het hele eerste millennium nog tot de prehistorie.
     De grens – u begrijpt het al – was de grens van het Romeinse Rijk. De Romeinen en de Grieken waren namelijk aanvankelijk de enige Europese volken met een geschreven taal. De Grieken gingen later ook op in het Romeinse Rijk.
     Onze lage landen liggen niet alleen precies op die grens, maar verkeren ook anderszins in een unieke situatie: onze geschiedenis is twee keer begonnen. De eerste maal met de komst van de Romeinen, in de 1e eeuw v.Chr., de tweede maal met de komst van de missionarissen vanaf het eind van de 7e eeuw. Daartussen zit een groot hiaat. De Romeinen trokken zich in 276 of daaromtrent terug van de Rijn-limes naar de lijn Keulen – Bonen (Boulogne), waar beneden zij hun gezag handhaafden tot de totale ineenstorting in het midden van de 5e eeuw. Volgens de promotors van „Nijmegen 2000 jaar stad” zou in de tussentijd het Romeinse gezag ten oosten van de Maas, tot en met Nijmegen, nog hersteld zijn. Die discussie laat ik hier maar buiten beschouwing; ze is voor mijn betoog niet relevant.
     Terzijde: het overblijvende deel van de „nieuwe limes”: Maastricht – Bonen, valt globaal samen met de tegenwoordige taalgrens. Dat is stellig geen toeval. Ik kom daar straks op terug.
     Met het vertrek van de Romeinen verdwenen ook de „verslaggevers”. Niemand kon meer beschrijven wat er gebeurde. We vielen terug in de prehistorie. En dat bleef zo tot er nieuwe vertegenwoordigers van Rome kwamen: de missionarissen. Willibrord was de eerste, in 690. Inmiddels was er in Rome veel veranderd. De militaire macht was ingestort, maar er was een geestelijke macht voor in de plaats gekomen, die overigens ook met harde hand regeerde: het zwaard van de geest. Maar terwijl die overgang in bijv. Gallië en Brittannië metterdaad beleefd werd, waren de lage landen daar buiten gevallen. Wij moesten een nieuwe start maken om de geschiedenis opnieuw binnen te treden.

     Waarom vertrokken de Romeinen in 276 ? Wegens de voortdurende invallen van de Germanen (het begin van de „volksverhuizing”), beweren de traditionele historici. Merkwaardigerwijs zijn er archeologisch nergens overtuigende sporen van oorlog of vernietiging te vinden. Recente archeologische publicaties over Valkenburg, Voorburg, Nijmegen, Utrecht en Zeeland spreken dan ook allemaal over een vreedzaam vertrek van de Romeinse garnizoenen in de periode 270-280.
     Een erg dappere archeoloog waagt het wel eens terloops iets te zeggen over klimatologische veranderingen: het werd de Romeinen te nat onder de voeten. En, inderdaad, de eerste dijken in ons land dateren uit de 10e eeuw. En wat zou er nu gebeuren als we alle dijken ineens wegdenken ?

     Die periode van de 3e tot de 7e eeuw valt globaal samen met een „ramp”, die bekend staat onder de naam Duinkerke II-transgressie. Een transgressie is een geleidelijke stijging van het zeeniveau (relatief ten opzichte van het land) met een permanente overstroming ten gevolge.
     De transgressies zijn zeer omstreden. De traditionele historici ontkennen ze eenvoudig. De geologen – zelden geraadpleegd door de historici – hebben de transgressies „uitgevonden”, maar ook in die kringen is lang niet iedereen het erover eens.
     Ik geef nu eerst een elementaire uiteenzetting over transgressies in het algemeen, en Duinkerke II in het bijzonder. U kunt dit hoofdstuk overslaan als u met het begrip reeds vertrouwd bent, of als u er eenvoudig niet in gelooft (dan wel graag een alternatief bedenken !). Tegen de achtergrond van Duinkerke II kom ik dan op mijn kernthema: hoe komen we aan historische gegevens over een tijd zonder eigentijdse boekstaving ?

Trans- en regressies

     De laatste tijd is de stijging van de zeespiegel regelmatig onderwerp van beschouwingen in de media. In feite echter zijn variaties van de zeespiegel van alle tijden. Soms zijn ze het gevolg van een doorbraak, zoals de scheuring van de Bosporus met een enorme niveaustijging van de Zwarte Zee als gevolg – wellicht de bijbelse zondvloed – (5600 v.Chr.) en de doorbraak van het Nauw van Calais, met grote gevolgen voor de Noordzee (7200 v.Chr.).
     Veel minder spectaculair is echter de heel geleidelijke niveauverandering ten gevolge van het subtiele evenwicht van de verdeling van warmte en koude en andere klimatologische omstandigheden over de aardbol. Na de doorbraak van het Nauw van Calais is de Noordzee tot op heden nog zo'n 35 m gestegen, dat is gemiddeld nog geen 4 mm per jaar. Maar er vinden soms flinke fluctuaties plaats, en daar gaat nu onze aandacht naar uit.
Transgressie      De gevolgen van een zeespiegelstijging (of -daling) voor een kustgebied hangen vooral sterk af van de helling van de kust. Bij een steile rotskust zal een stijging van bijv. 1 m nauwelijks consequenties hebben; bij een vlakke kust kan zo'n zelfde stijging echter enorme gebieden onder water zetten.
     We moeten goed onderscheiden:
a.   Een dijkdoorbraak. Daarmee wordt een menselijke ingreep ongedaan gemaakt. De natuur herstelt zich. Ik laat deze vorm buiten beschouwing, daar we ons bezig zullen houden met de oudheid. De eerste dijken zijn pas tegen het jaar 1000 aangelegd.
b.   Stormvloeden. De daardoor veroorzaakte overstromingen eindigen weer zodra de storm voorbij is, en alle gevolgen zijn dus van voorbijgaande aard.
c.   Duurzame veranderingen in het zeeniveau. Slechts deze zijn voor ons onderwerp interessant.

     Bij een permanente overstroming ten gevolge van een structurele zeespiegelstijging spreekt men van een transgressie; het omgekeerde effect heet een regressie. Het gaat daarbij om een relatieve niveauverandering. Ook bodemdaling resp. stijging kan dus de oorzaak zijn, of zelfs vorming of afbraak van een bodemlaag (veengroei resp. -erosie).

     Enkele gebieden op aarde zijn bij uitstek transgressiegevoelig, ten gevolge van de nauwelijks hellende kuststreken. Bekend is vooral Oost-Bengalen, het mondingsgebied van de Ganges, omdat dit gebied met een dichte bevolking nauwelijks door kunstwerken beveiligd is en dus bij elke springvloed een ramp beleeft.
     Verder: de Landes (Frankrijk), de Povlakte (Italië), de Nijldelta (Egypte) en de noordkust van de Perzische Golf, het mondingsgebied van Eufraat en Tigris. En vooral niet te vergeten: de Lage Landen aan de Noordzee. Wij verkeren eigenlijk al duizend jaar in een transgressiesituatie, die we kunstmatig van ons af weten te houden: zonder dijken zou de helft van ons land permanent onder water staan.

     Zeespiegelstijging en dus ook transgressie treedt niet op van de ene dag op de andere; ze voltrekt zich over decennia of zelfs generaties. Het werd dus in de oudheid niet ervaren als een catastrofe, maar had het karakter van een sluipende verslechtering van het klimaat. Aanvankelijk droge, gunstige woongebieden worden langzamerhand vochtig, de vegetatie verandert; ze ontwikkelen zich tot vennen en moeras, worden steeds vaker getroffen door incidentele stormoverstromingen, enzovoort. Als woongebied wordt het gebied onaantrekkelijk en de bevolking trekt geleidelijk weg. Ouderen, die beweren dat het vroeger veel beter was, worden als zeurpieten genegeerd. En een KNMI om de veranderingen cijfermatig te bevestigen bestond nog niet.
     Vandaar dus, dat transgressies zelden terug te vinden zijn in eigentijdse geschiedschrijving van de oudheid. Een interessante uitzondering wil ik u niet onthouden. Ze heeft betrekking op het stadje Spasinou Charax aan het noordelijk uiteinde van de Perzische Golf. Plinius vermeldt in zijn Naturalis Historia over de ligging van deze plaats:
     „Het lag eerst op een afstand van 10 stadia van de kust, de Porticus Vipsania 2 toont het zelfs als een kustplaats. Maar volgens Juba ligt het 50 mijl van de zee, en heden ten dage bevestigen vertegenwoordigers der Arabes en onze eigen kooplieden, die er geweest zijn, dat het 120 mijl van de kust ligt.”
Voorwaar een treffend voorbeeld van een regressie, een terugtrekkende zee!

Transgressie en geschiedschrijving.

     Belangstelling voor de geschiedenis van ons land ontstond pas in de loop van de 16e eeuw, vooral door de verbreiding van de boekdrukkunst. Door het ontbreken van schriftelijke getuigenissen had men van de transgressies geen flauw benul. Zo ontstond de fictie van de continu doorlopende bewoning van ons land. De primitieve zestiende-eeuwse geschiedschrijving liet de Romeinse geschiedenis via de middeleeuwen naadloos overgaan in de moderne tijd. En die primitieve geschiedschrijving ligt nog steeds ten grondslag aan de huidige schoolboekjes. De periode van – pakweg – de vierde tot en met de zevende eeuw wordt daarbij afgedaan met vaagheden als „volksverhuizingen”. Die waren namelijk nodig om te verklaren dat er „ineens” heel andere volkeren in ons land leefden. Plaats- en volkernamen uit de Romeinse tijd worden probleemloos geëxtrapoleerd naar het heden. Elke plaatsnaam uit de Romeinse tijd moet overeenkomen met een moderne plaats (die dan zijn 2000-jarig bestaan kan vieren), en de Frisii uit de Romeinse tijd worden gelijkgesteld met de huidige Friezen. De grondleggers van de Bataafse Republiek zagen ons als rechtstreekse nakomelingen van de Batavieren. De stichting van de stad Batavia in 1619 illustreert dat men toen al de Batavieren als onze voorouders beschouwde.
     Niemand vroeg zich af, hoe het vrij kleine Flevo-meer (zonder dijken !) zich had kunnen ontwikkelen tot de grote Zuiderzee (mèt dijken). In het begin van de 16e eeuw begaven de dijken langs de Eemsmonding het en ontstond de Dollart, die zich toen uitstrekte tot Winschoten toe. Men was toen aanvankelijk technisch niet in staat het verloren gebied op de zee te heroveren. Niemand vroeg zich af, hoe de aanvankelijke dijken ooit tot stand gekomen waren. In 1953 werd een aantal Zeeuwse en Zuidhollandse eilanden een prooi van de zee. Slechts na jaren zwaar werk met moderne technische middelen kon de schade hersteld worden. En wederom vroeg niemand zich af hoe de oorspronkelijke middeleeuwse bedijking tot stand gekomen was.
     In het midden van de vorige eeuw begon het te dagen: er moet in de tussenliggende eeuwen iets met het waterniveau gebeurd zijn. Byvanck (1944) spreekt aarzelend van het „stijgende grondwater” als een van de oorzaken van de ontvolking van ons land tegen het einde van de Romeinse tijd. Delahaye (1980) sloeg door naar het andere uiterste, en meende dat in het hele 1e millennium ons land praktisch geheel onder water stond en dat onze geschiedenis van de Romeinse tijd en de vroege middeleeuwen zich in werkelijkheid in Noord-Frankrijk had afgespeeld.
     Inmiddels begon de transgressie-theorie opgeld te doen: zeespiegelstijging, afgewisseld door regressies. Allerlei reeds lang bestaande gegevens pasten als een legpuzzel in elkaar. In 2003 publiceerde Behre op basis van modern geologisch onderzoek zijn „zeespiegelcurve van de zuidelijke Noordzee”. Desondanks zijn nog lang niet alle historici bereid hun traditionele concept op te geven, en ook in geologische kring wordt Behre bestreden.
     In België en Noord-Frankrijk zijn de meeste historici inmiddels tot het inzicht van de realiteit van de transgressies gekomen (bijv. Thoen 1978). Kaarten betreffende de late oudheid tonen daar de overstroomde laagvlakten met een reeks eilanden ter plaatse van de huidige duinen. Maar in Nederland verkeert men nog in de ontkenningsfase. In de recente Barrington-atlas van de Griekse en Romeinse Oudheid staan de Lage Landen afgebeeld naar de toestand tijdens de Romeinse regressie. Maar in Noord-Frankrijk en België staat met een bruine lijn extra de kustlijn uit de late oudheid aangegeven. In Nederland stopt die abrupt ......

     De opeenvolgende transgressies van de Lage Landen worden aangeduid met de namen Duinkerke I t/m IV, naar de plaats waar men ze het eerst vastgesteld heeft. Wel heeft iemand iets soortgelijks in de westelijke Betuwe ontdekt, maar dat werd geweten aan de rivieren. Het is wel opvallend dat „Tiel 1 t/m 4” synchroon liepen met Duinkerke I t/m IV !

Metingen volgens Behre 2003

     Bovenstaande zeespiegelcurve volgens Behre is – wegens de grote spreiding der meetpunten – slechts zeer globaal. Ze weerspiegelt echter prachtig de geschiedenis van ons land. (Daarbij kan het ons gevoeglijk onverschillig laten, of de effecten door fluctuaties van de zeespiegel zelf, door landbeweging of door het veen veroorzaakt werden.) Laten we dat eens volgen:
     Het belangrijkste voor mijn verdere betoog is de Romeinse regressie rond het begin van de jaartelling. Ons land was toen zo droog als het nadien nooit meer geweest is. De kust lag enkele kilometers verder naar het westen dan thans (denk aan Brittenburg en Ter Heijde!). Het Flevomeer was een kleine plas water vergeleken met de latere Zuiderzee. De Romeinen arriveerden in een door de voorafgaande Duinkerke I-transgressie vrijwel ontvolkt gebied. De Batavieren konden zich in de Betuwe vestigen zonder angst voor natte voeten.
     De Romeinen vertrokken weer, toen Duinkerke II op zijn hoogtepunt was; de Batavieren vinden we dan overal in Europa, behalve in de Betuwe.
     Als de missionarissen hier arriveren (rond 700) is de onbetekenende „Willibrord-regressie” eigenlijk al weer achter de rug. Ze vinden een door Duinkerke IIIa totaal verzopen land. Ravennas meldt, dat de Rijn bij Dorestate in zee stroomt. Dat Willibrord en Bonifatius vanuit Utrecht opereerden, lijkt wel erg onwaarschijnlijk.
     Rond 900 is het weer relatief droog. Het graafschap Holland – hoewel meer meer dan land – ontstaat uit het niets. De Zuiderzee krijgt haar uiteindelijke omvang. Veel plaatsnamen in het westen van ons land komen in die tijd voor het eerst voor.
     Als het tij weer keert, op weg naar Duinkerke IIIb, is de mens geen machteloos slachtoffer meer: door dijkaanleg kan het meeste land behouden blijven. Rond 1400 is de strijd tegen het water op zijn hoogtepunt (St. Elizabethvloed!).
     Daarna wordt het weer beter. Tijdens onze gouden eeuw hoort men vrijwel niets meer over het gevecht met de zee. De gelegenheid wordt aangegrepen om nog wat plassen droog te leggen. Functies als „dijkgraaf” worden erebaantjes in het regentensysteem.

     We concentreren ons nu verder op de Duinkerke II-transgressie.
     Wanneer u op Google Earth van grote hoogte noordelijk Nederland bekijkt, ziet u wellicht met verbazing dat de Waddenzee helemaal dicht zit. Het is „land”, doorkruist door waterlopen. Blijkbaar zijn de foto's bij laagwater gemaakt. Toch wordt op gewone kaarten de Waddenzee als zee aangemerkt, en blauw weergegeven.
     Als echter iemand op een kaart naar de toestand tijdens een transgressie ons land grotendeels blauw inkleurt, is hoon van de traditionele „professionals” zijn deel. Men wringt zich in allerlei bochten om aannemelijk te maken dat ons land merendeels continu bewoonbaar bleef. Vervening en inklinken zijn daarbij de toverwoorden. Maar vervening gebeurt slechts onder water. En grond kan slechts inklinken (slinken door uitdroging) als het eerst nat is geweest.
     Ieder zinnig mens begrijpt dat ons land, als we de dijken wegdenken, tot NAP + 0 onder water staat, bij vloed (2× per etmaal) nog wat verder, en bij springvloed (2× per maand) veel verder. Natuurlijk, ingeklonken land zal als een spons uitzetten, maar ook niet verder dan tot het wateroppervlak, want daarboven droogt het weer in. En op drijfzand kun je beter geen huis bouwen. Kortom: wadden, moerassen en kwelders, dus blauw op de kaart!

De Romeinse tijd

     De Romeinse periode van de Lage Landen ligt in de tijd „ingeklemd” tussen twee transgressies van de Noordzee, bekend als Duinkerke I en Duinkerke II.
     De aanwezigheid van de gealfabetiseerde Romeinen heeft ons in de tussengelegen regressieperiode een stuk geschreven geschiedenis opgeleverd. Helaas hebben de Romeinse historici (voornamelijk Cæsar en Tacitus) teveel als vanzelfsprekend aangenomen en zich onvoldoende gerealiseerd hoezeer de situatie na hun vertrek zou veranderen en hoe belangrijk dus hun informatie was. Vandaar dat het toch moeilijk is ons een beeld te vormen, vooral van de geografische en etnografische achtergronden van de gebeurtenissen in die tijd. Bovendien heeft slechts een klein deel van al het handgeschreven materiaal de middeleeuwen met volkomen gebrek aan historische belangstelling overleefd.
     Toen de Romeinse legers ons land bereikten, was Duinkerke I juist voorbij. Wat troffen zij aan? Caninefaten (of Cananefaten, zoals ze tegenwoordig schijnen te heten) in het duingebied, voormalige eilanden. Friezen ten noorden van de Rijn; die waren vanuit het noordoosten de oprukkende kust gevolgd, en hadden dus een voorsprong op de Romeinen, die van de verkeerde kant kwamen. Verder was het zojuist drooggevallen land nogal leeg. De Batavieren (tegenwoordig Bataven) waren er nog niet. Dat is een ander verhaal.
     We moeten ons goed realiseren, dat het hele, tijdens de Romeinse regressie drooggevallen, gebied later, tijdens Duinkerke II, weer overstroomde en enkele eeuwen onder water bleef staan. Er is in zijn algemeenheid dus geen reden om aan te nemen dat topografische toestanden uit de Romeinse tijd overeen moeten komen met de situatie in het eeuwen later weer droogvallende gebied. Het feit dat latere historici namen uit de Romeinse tijd hebben overgeplant naar hun eigen tijd geeft een valse indruk van continuïteit. Het is bijvoorbeeld allerminst waarschijnlijk dat de huidige Friezen iets te maken hebben met de Frisii uit de Romeinse geschriften. Zo zou ook de ligging van het huidige Almere en Flevoland in de toekomst een valse suggestie kunnen geven over de ligging van het Romeinse Almere en Flevo.
     Cæsar meldt, dat de Schelde uitmondt in de Maas. Dat is strijdig met de huidige loop van die rivieren. De moderne geologen hebben dan ook door gedegen grondonderzoek aangetoond, dat tijdens de Romeinse regressie het hele rivierstelsel in het westen van ons land geheel andere trajecten volgde dan vanaf de middeleeuwen. Daarbij bestond de Westerschelde niet, maar de Schelde splitste zich ter hoogte van het huidige Tholen in een tak westwaarts en een tak noordwaarts, via wat later de Striene en de Bernisse heette rechtstreeks naar het Helinium (Zagwijn 1986). Daardoor bestond er een groot eiland tussen, wat we gemakshalve de Oosterschelde noemen, en het Helinium. Opmerkelijk is dat we dit eiland ook duidelijk aangegeven vinden op de portolaan-kaarten 3 , ondanks de kleine schaal van die kaarten. De omgevende rivieren moeten dus wel voor de zeevaart belangrijke zeearmen geweest zijn.

     Doordat we onze informatie over die tijd slechts uit Romeinse bronnen kennen, zien we de ontwikkelingen onvermijdelijk door een Romeinse bril. In onze geschiedenisboekjes wordt de komst van de Romeinen dan ook als een zegen beschreven: zij brachten ons de beschaving.
     De Romeinen gedroegen zich echter niet bepaald als beschaafde gasten in vreemd gebied. Ze waren een ramp voor de autochtone bevolking. Ze gedroegen zich als übermenschen, die de zaak volledig naar hun hand zetten. Een volk dat niet in het gareel liep, had kans volledig over de kling gejaagd of in slavernij gevoerd te worden. Ook deportaties van volkeren of gedeelten daarvan kwamen veelvuldig voor, goedschiks of kwaadschiks. Genocide was normaal gebruik. In moderne ogen was Cæsar een oorlogsmisdadiger van het ergste soort.
     Daar de Romeinen uit eigen land geen onbeperkt grote legers konden rekruteren voor de instandhouding van het immense rijk, hadden ze de gewoonte voor de grensbewaking volksplantingen van onderworpen of „bevriende” volkeren te gebruiken, de zogenaamde fœderati. Om de kans op mogelijke samenzweringen te beperken, werden ze uit hun eigen stamgebied verplaatst naar een geschikt grensgebied van het rijk. Uiteraard kwamen daar alleen strijdbare mannen met hun aanhang voor in aanmerking, die dat accepteerden in ruil voor bepaalde voordelen (bijvoorbeeld het voordeel in leven te mogen blijven na een verloren veldslag!).
     Een voorbeeld van dergelijke fœderati was een volksplanting van de Chatti (uit Hessen?), gevestigd op een eiland in de Rijn, aldus Tacitus. Dat eiland was dan de Batouwe (Betuwe), en de mensen kregen aldus de naam Batavi. Of deze koppeling tussen de namen Batavi en Betuwe echter niet uit een zestiende-eeuwse duim gezogen is, is zeer de vraag. Veel later, toen de Betuwe reeds lang door Duinkerke II verzwolgen was, was het Bataafse legioen nog steeds volop actief in het Romeinse leger.

     In of omtrent het jaar 276 4 begon de Romeinse terugtocht, op de vlucht voor het water (en niet voor de Germaanse horden, zoals de traditie wil). De Romeinse staatsgrens, de limes, werd „als strategische maatregel” teruggetrokken van de Neder-Rijn naar de weg Keulen – Bonen.
     De langs de oude limes gevestigde fœderati werden aan hun lot overgelaten. Ze werden onafhankelijk en verveelden zich stierlijk. Ook zij zullen niet onberoerd gelaten zijn door het water, waardoor ze gingen trekken en elkaar hinderden. En ze waren geselecteerd op hun strijdbaarheid! De gevolgen laten zich raden.
     Maar een „schrijvende pers” was er niet meer. Er zijn geen geschriften, die ons het verdere verloop van de gebeurtenissen in die Germaanse gebieden tijdens Duinkerke II verhalen. Een volgende periode van geschreven geschiedenis begint pas met de komst van de missionarissen. Waarschijnlijk is er toen weer een beperkte regressieperiode geweest („Willibrordregressie”), voorafgaande aan de middeleeuwse Duinkerke III-transgressie.
     Het hiaat in onze geschiedenis tijdens de Duinkerke II-transgressie is eeuwenlang doodgezwegen, maar begint langzamerhand belangstelling te krijgen.

Orale geschiedenis

     De laatste tijd is een Duitse kring van wetenschappers 5 doende met een project om het hiaat in de geschiedenis tussen het vertrek van de Romeinen en de komst van de missionarissen op te vullen door gebruikmaking van „oral history”, mondelinge overlevering.
     Een fraai voorbeeld van overlevering kent elke gymnasiast: de Ilias, een heldendicht waarin de Trojaanse oorlog uit de dertiende eeuw v.Chr. beschreven wordt, werd pas in de achtste eeuw v.Chr. door Homerus op schrift gesteld. Mensen die geen schrift kennen, maar een goed geheugen en veel gevoel voor metriek hebben, kunnen urenlange gedichten feilloos onthouden en aan volgende generaties doorgeven. Om dicht bij huis te blijven: ik leerde van mijn vader een liedje „Hop Marjanneke”, dat uit de Franse tijd dateert („vroeger was de Prins in 't land, en nu die kale Fransen”), en van mijn in Duitsland opgegroeide moeder „Pommernland ist abgebrannt”, dat gebeurtenissen uit de Dertigjarige Oorlog (1618-1648) memoreert. Ook veel verhalen uit het Oude Testament moeten op soortgelijke wijze de schriftloze tijd overbrugd hebben.
     Door onze wat overtrokken belangstelling voor de Griekse en Romeinse oudheid, wordt vergeten dat ook onze eigen voorouders een culturele erfenis hebben achtergelaten. Onze kinderen leren (nou ja, leerden ...) Grieks en Latijn, maar vrijwel niemand interesseert zich voor Oudgermaanse talen. Toch bestaan er in die talen vergelijkbare dichtwerken: de Beowulf in het Oudengels, de Edda in het Oudnoors zijn de bekendste.
     Deze literatuur is jonger dan de Griekse en Romeinse, omdat het schrift in onze streken nu eenmaal veel later is doorgedrongen. In de 10e – 12e eeuw hebben skalden of barden hun eeuwenoude liederen op schrift gesteld. Vergeeld en deels vergaan liggen ze – vergeten gelijk de Grieks-Romeinse in de middeleeuwen – in oude archieven. De Edda, bekend in versies van ca. 1200, werd pas midden zeventiende eeuw teruggevonden. De Beowulf is slechts bekend van één handschrift van ca. 1000, maar beschrijft gebeurtenissen van vele eeuwen eerder. Het trok pas de aandacht rond 1800.
     Ook van vaderlandse bodem is een bard bekend: rond 790 leefde in Helwerd de blinde Berlef, die „op onnavolgbare wijze de grote daden der voorvaderen en de oorlogen der koningen wist te bezingen”. Hij werd echter door Liudger tot het christendom bekeerd, en zong vanaf dat moment alleen nog maar psalmen. Er is geen enkele tekst van hem overgeleverd. De missionarissen onderdrukten zoveel mogelijk alle herinneringen aan het heidense verleden, ook weer een handicap voor de geschiedschrijving in onze streken.

     De genoemde Duitse studiekring is op het idee gekomen om oude mythen en sagen uit het begin van de Germaanse schrijfcultuur, dus van ca. 1000, te analyseren en te zoeken naar historische informatie uit de tijd van Duinkerke II, het grote hiaat in onze geschiedschrijving, en met verrassende resultaten.

De Hunenveldslag

     In het Staatsarchief in Stockholm liggen middeleeuwse geschriften met oude verhalende liederen, door een schrijflustige skald verzameld in het Germaanse taalgebied en opgeschreven in zijn eigen „dialect”, het oudnoors. Hij was de Germaanse Homerus. Wellicht maakt ook het repertoire van Berlef deel uit van zijn verzameling.
     Een zo'n lied, Hlöðskviða, Hlods lied, ook wel bekend als De Hunnenveldslag, begint met een kort staatkundig overzicht:

Ár kváðu Humla Ze zeggen dat eertijds Humli
Húnum ráða, de Hunen regeerde,
Gizur Gautum, Gizur de Geaten,
Gotum Angantý, Angantyr de Goten,
Valdar Dönum, Valdar de Denen,
en Völum Kjár, Kjar de Galliërs 6 ,
Alrekr inn frækni Alrek de Dappere
Enskri þjóðu. het volk der Angelen.

     Het lied beschrijft een ruzie tussen de Goten en de Hunnen. De standaard-interpretatie wil dat die veldslag plaatsvond ergens op het raakvlak van die twee volkeren, en wel in de Oekraïne, aan de Dnjepr. Wel wat erg ver weg van de andere genoemde volkeren, en ver buiten het interessegebied van de skald.
     Volgens de mijns inziens zeer aannemelijke theorie van de eerder genoemde Duitse studiegroep gaat het wat de Goten betreft om gewezen fœderati, dus een gedeporteerde volksplanting langs de oude limes, na het vertrek van de Romeinen (276) achtergelaten als zelfstandig koninkrijkje aan de rechteroever van de Rijn. Zij leefden op de Veluwezoom en iets verder Duitsland in, tot Wezel. 7 Ten westen van de Veluwe klotste reeds de Waddenzee. De zogenaamde Hunnen waren duidelijk níet de bekende Aziatische horden van die naam, onder Attila, maar een Germaanse volksstam in Westfalen, beter aangeduid als Hunen, Hoenen of Heunen, die ook in andere verhalen voorkomt. Het was dus geen Hunnen- maar een Hunenveldslag 8 . Aanvankelijk leefden de Hunen met de Goten en andere fœderati in goede harmonie, maar na het vertrek van het Romeinse gezag sloeg de verveling toe en een vonk in het kruitvat was voldoende om de opgekropte hormonen van de krijgsman tot uitbarsting te brengen.
     Natuurlijk moet men bij de interpretatie van de tekst rekening houden met de nodige overdrijving om het lied aan het kampvuur de nodige spanning te geven. Zo is de grootte van de legers zeker met enkele nullen overdreven. En dat voedde juist de gedachte aan een enorme volkerenslag in de vlakten van de Oekraïne.
     Koning Gizur van de Geaten (ook Gauten genoemd) was de pleegvader van koning Heiðrek, koning der Goten, en deze had een bastaardzoon bij de dochter van koning Humli van de Hunen. Dergelijke nauwe relaties kan men zich ook beter voorstellen bij dicht bij elkaar levende stammen, dan bij enorme over heel Oost-Europa verspreide volkeren.
     De hoofdstad van de Goten was . . . Árheim, Arnhem!
     De hoofdpersonen komen niet in de geschreven geschiedenis voor, maar wel in vergelijkbare liederen van andere herkomst. Er is alle reden de kern van het verhaal serieus te nemen. De studiegroep heeft op grond van vergelijking van gegevens getaxeerd, dat de slag moet hebben plaats gevonden, ergens langs de Lippe, rond het jaar 320, een kleine halve eeuw na het vertrek van de Romeinen. En daarmee is Arnhem ineens 573 jaar ouder geworden! 9

     Ik ga u niet de verdere inhoud van het lied vertellen. Dat zou afbreuk doen aan het werk van de dichter. U moet het (uiteraard in vertaling) zelf lezen. Wel tot uw geruststelling: de Hunen verloren uiteindelijk de slag, en verdwenen voorlopig uit zicht. Een slachting in die tijd was grondig! De Goten losten op in de smeltkroes waaruit u en ik voortkwamen.
     De Geaten of Gauten, die de Goten bij de veldslag te hulp kwamen, moeten ook in de buurt geleefd hebben, maar zijn alleen uit de overlevering bekend. Anderzijds missen we in alle sagen en verhalen uit die tijd de Friezen. Hun stamgebied was onbewoonbaar geworden. Ze komen pas later weer ter sprake. De Saksen komen wèl in de sagen voor.
     Een leuk zijspoor: de Hunen leefden als afschrikwekkende reuzen voort in de herinnering van de Goten, Geaten en anderen. Toen men later een naam zocht voor de reusachtige megalitische steenhopen in het landschap, zorgde de volksetymologie voor de oplossing: hunebedden. En terecht schrijft het woordenboek dat dus met één n. Ook de Hunenborg, de Hunnerberg en de Hunenschans moet men etymologisch waarschijnlijk met dit volk in verband brengen.

Nabeschouwing.

     De transgressie betekende niet alleen, dat de zee was opgerukt tot halverwege ons land; ze had ook gevolgen voor het overblijvende oostelijke rivierengebied. En wellicht droeg de nog intacte Drususdam bij Tolkamer, maar een door verwaarlozing reeds dichtslibbende Drususgracht tussen Rijn en IJssel ertoe bij dat de Neder-Rijn een immens zware rivier werd, die veel sterker dan ooit tevoren een natuurlijke grens vormde, die zeker niet gemakkelijk voor mens en dier over te steken was. Vandaar dat in het lied van de Hunenveldslag volkeren ten zuiden van de Rijn, zoals de Batavieren, Galliërs en Romeinen geen rol spelen. In het Romeinse hoofdkwartier in Keulen heeft men waarschijnlijk nauwelijks weet gehad van de Germaanse broedertwisten.
     De Romeinen hadden de grote heirbaan Keulen – Bonen als nieuwe „limes”. Ook de Bataafse fœderati, uit de Betuwe „weggespoeld”, komen we daar rond 350 tegen. Rond 400 vinden daar ook weer nieuwe volksplantingen van Germaanse fœderati plaats. En de geschiedenis herhaalt zich: nadat de Romeinen ca. 410 Brittannië al hadden opgegeven, stortte rond 450 het Romeinse bewind in NoordGallië ineen. De fœderati kregen ook hier de status van zelfstandige koninkrijkjes, die elkaar naar hartelust bestreden.
     In de periode tussen 276 en 450 had er nog een belangrijke ontwikkeling plaats: De romanisering van o.a. Gallië werd voltooid. Alle inwoners van het rijk hadden al het Romeinse staatsburgerschap verworven, hetgeen als een grote eer en voorrecht werd gevoeld. De Galliërs waren zo onder de indruk van de pracht en praal van de Romeinen, dat ze hun levensstijl alom gingen navolgen. En natuurlijk gingen ze ook de wereldtaal, het Latijn spreken, eerst alleen de elite, later iedereen. In de praktijk was het een gebrekkig aftreksel van het Latijn, dat zich nadien tot het Frans ontwikkelde. Het oorspronkelijke Gallisch, de oude Keltische taal, was rond 450 uitgestorven. En zo is het ook duidelijk hoe de taalgrens ontstaan is. Deze lijn dwars door België komt globaal overeen met de limes langs de weg (Keulen –) Maastricht – Bonen.
     Als er in die tijd in onze contreien over Romeinen gesproken wordt, betreft dat vrijwel altijd de zg. „Gallo-Romeinen”, de geromaniseerde Galliërs, die zich Romeins voelden, Latijn spraken, en het gezag van Rome volledig aanvaardden en vertegenwoordigden. Zij waren de voorouders van de huidige Fransen.
     Binnen de gezichtskring van de Gallo-Romeinen is er wel geschiedschrijving (o.a. Gregorius van Tours 10 ), maar voor de Germaanse randgebieden moeten we weer teruggrijpen op de orale overlevering. In die tijd speelt vooral de Wilkinensage, een verhaal over achtergelaten fœderaten-stammen in en om het grote Kolenwoud nabij de eerdergenoemde heirbaan. Deze sage is voor mij interessant omdat een der hoofdpersonen een koning Brunstein is, het oudst bekende voorkomen van mijn naam!
     In dezelfde tijd speelt ook de Wiltensage, waarin de Westfaalse Hunen (met hoofdstad Susat = Soest) weer in de schijnwerpers komen, in een conflict met de Friezen. Of dit nakomelingen van de Frisii waren, of juist de voorvaderen van onze moderne Friezen (of beide), is nog een onopgeloste vraag.

     Men realisere zich, dat het voor ons slechts om een „hiaat” in de geschiedenis gaat, omdat vóór die tijd de Romeinen voor historische informatie zorgden, hoe gebrekkig ook. Maar voor bijvoorbeeld de Scandinavische landen, zonder Romeinse bezetting, gaat het om het begin van hun geschiedenis. Ook de Roomse missie moesten ze nog lang ontberen. De Scandinavische geschiedenisboekjes beginnen dan ook met een „mythische oertijd”. Zelfs de stamvader van het nu 1100 jaar oude Deense koningshuis, koning Gorm (eerste helft tiende eeuw), is nog met een mythisch waas omgeven. Zijn naam en status zijn slechts bekend uit enkele runeninscripties op gedenkstenen.

     Tot slot nog een enkel woord over de „nieuwe” volkeren na Duinkerke II. Waar waren de Batavieren en Caninefaten gebleven en waar kwamen de Franken ineens vandaan ? Ik wijs erop, dat volgens onze (over-)grootouders aan onze oostgrens de Pruisen woonden. Pas na de eenwording van het Duitse Rijk in 1870 zijn we geleidelijk onze oosterburen Duitsers gaan noemen. Toch woont aan onze oostgrens nog steeds hetzelfde volk, dat trouwens elders wordt aangeduid als Alemannen (Frans: Allemands), Germanen (Engels: Germans) of Teutonen (Italiaans: Tedeschi). Het is dus geen uitzondering, dat eenzelfde volk in verschillende tijden en bronnen met geheel verschillende namen wordt aangeduid. Naar mijn overtuiging is Franken dan ook niets anders dan een verzamelnaam van de geleidelijk integrerende vrije Germaanse stammen (frank = vrij) boven de taalgrens, waaronder dus de Batavieren, Reidgoten en andere fœderati.

*

     N.B. De bijgaande kaart is een hoogtekaart van de Lage Landen (met dun ingetekend de kustlijnen naar de situatie rond 1900, dus vóór de grote inpolderingswerken). Men ziet daarop onmiddellijk hoever ons land onder water zou staan bij afwezigheid van dijken. Bedenk dat bij vloed het water 1 à 2 meter bóven de nullijn staat. Bij springtij, stormen enz. nog hoger. Enkele in het artikel genoemde topografica zijn ingetekend.

Literatuur

K.-E. Behre, Eine neue Meeresspiegelkurve für die südliche Nordsee, Oldenburg 2003
Dr. W. Bruijnesteijn van Coppenraet, Transgressies en hun gevolgen, SEMafoor, mei 2000 (en www.brucop.com)
Dr. A.W. Byvanck, Nederland in den Romeinschen tijd, Leiden 1944.
A. Delahaye, Holle Boomstammen, Zundert 1980.
I. Kupĉik, Münchner Portolankarten, MŁnchen/Berlin 2000.
R. Schmoeckel u.a., Die Wilkinensage, Band 3 van Forschungen zur Thidrekssaga, Bonn 2006.
H. Thoen, De Belgische kustvlakte in de Romeinsetijd, Brussel 1978.
W.H. Zagwijn, Nederland in het holoceen, Haarlem 1986.

Transgressiekaart (175 kB)